ALBERT

All Library Books, journals and Electronic Records Telegrafenberg

Your email was sent successfully. Check your inbox.

An error occurred while sending the email. Please try again.

Proceed reservation?

Export
Filter
  • 42.75  (18)
  • AERODYNAMICS
  • Animals
  • 1925-1929  (19)
Collection
Years
Year
  • 1
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  CASI
    Publication Date: 2016-06-07
    Description: A simple, systematic, optimized vortex-lattice approach is developed for application to lifting-surface problems. It affords a significant reduction in computational costs when compared to current methods. Extensive numerical experiments have been carried out on a wide variety of configurations, including wings with camber and single or multiple flaps, as well as high-lift jetflap systems. Rapid convergence as the number of spanwise or chordwise lattices are increased is assured, along with accurate answers. The results from this model should be useful not only in preliminary aircraft design but also, for example, as input for wake vortex roll-up studies and transonic flow calculations.
    Keywords: AERODYNAMICS
    Type: NASA. Langley Res. Center Vortex-Lattice Utilization; p 325-342
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 2
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.9 (1926) nr.14 p.258
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Subfamilie B: Lithosiinae. De Lithosiinen gelijken, in rustenden toestand, vaak op Blattiden of Kakkerlakken, daar zij de breede achtervleugels onder de over het algemeen smalle, lancetvormige voorvleugels opvouwen en deze gewoonlijk nog over elkaar heengeschoven worden, zoodat de vleugels nauwelijks breeder zijn dan het lichaam. Daarbij komt nog het snelle wegloopen en wegkruipen onder afgevallen bladeren, gras enz. Zij vliegen 's nachts meer dan overdag en nooit ver, laten zich spoedig vallen en kunnen springen. De voorvleugels der meeste soorten zijn opvallend geteekend met banden en strepen ; de achtervleugels meestal eenkleurig bruin, grijs, wit of geel. De kop is breed met uitpuilende kleine zwarte oogen; de antennen zijn vrij kort, draadvormig of kort gekamd, dikwijls met haarbosjes aan de bases. De palpen zijn recht en kort, soms gebogen, het lichaam is teer, in tegenstelling met dat der Noctuïden enz. De rupsen der Lithosiinen gelijken veel op elkaar; zij leven bijna alle op korstmossen aan boomen, steenen enz.; zij zijn behaard en met wratjes bezet. Bij verontrusting laten zij zich aan een draad zakken om op den grond zich uit de voeten te maken. De spinsels der poppen zijn los uit haren vervaardigd en worden soms aan een draad of een steel vastgemaakt. DETERMINATIE-TABEL VOOR ENKELE GENERA. I. Voorvleugelader 5 ontbreekt. A. Achtervleugelader 5 ontbreekt. a. Voorvleugel 4 ontbreekt.
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 3
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.9 (1926) nr.11 p.221
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Cerceris celebensis n. sp. ♀. Nigra, flavo et rufo variegata. Clypeus (Fig. 1) profunde concavus, cornibus duobus crassis basi nascentibus, margine apicali protracto dentato. Area basalis segmenti mediani basi crasse longitudinaliter, apice transverse striata. Segmentum primum (Fig. 2) abdominis quadratum. Segmentum secundum ventrale sine area basali elevata. Long. 16 mm. ♀. Die Art ist an dem eigentümlich geformten Kopfschild (Fig. 1) sofort kenntlich. Derselbe ist mitten schüsselförmig ausgehöhlt. Die Aushöhlung ist begrenzt: Oben am Grunde durch zwei lange, starke voneinander durch einen breiten halbkreisförmigen Ausschnitt getrennte Hörner, unten am Ende an dem trapezförmig vorgezogenen Rand des Mittelteiles durch zwei kleine ± undeutliche Zähnchen in der Mitte und je zwei grössere deutliche Zähne jederseits von diesen. Im Vergleich mit ähnlichen Kopfschildbildungen bei anderen Cercerisarten erscheinen die zwei Hörner als der Rest eines dachförmig vom Grunde des Kopfschildes abstehenden Vorsprungs, der so tief und breit halbkreisförmig ausgerundet erscheint, dass von ihm nur ein — von oben gesehen — mondsichelförmigen Rest sichtbar ist. Die Innenränder der Seitenaugen laufen gegen den Kopfschild zu etwas auseinander. Das 2. Fühlergeisselglied ist so lang als das 3. und ein Drittel des 4. zusammen (Fig. 3). — Der „herzförmige", dreieckige Raum des Mittelsegments zeigt am Grunde einige grobe, etwas auseinanderlaufende Längsriefen, an der Spitze einige ebensolche Querriefen. Die Mittelfurche ist nur schwach ausgeprägt. — Der erste Hinterleibsabschnitt (Fig. 2) ist nur wenig länger als breit, mit gewölbten Seiten und breit niedergedrücktem Endrand. Der 2. Bauch-
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 4
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.8 (1925) nr.15 p.220
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Während seines Aufenthaltes in Niederländisch Indien hat Herr Conservator J. B. Corporaal, namentlich in den Jahren 1917—21, erfolgreich an der Ostküste Sumatras und da vielfach in Pflanzungen Coleopteren gesammelt, das umfangreiche Material sorgfältig praepariert und genau mit Fundorten und Daten bezettelt. Die Gesamtausbeute an Rüsselkäfern, unter denen sich einige wenige auch von der Nordküste Sumatras, aus Atjeh befanden, ist mir unter den freigebigsten Bedingungen von Herrn Corporaal zur Bearbeitung übergeben worden, wofür ihm in meinem und im Namen des Dresdner Museums, das auf diese Weise von allen Arten Belegexemplare 1) bekam, der wärmste Dank ausgesprochen sei. Die genaueren Angaben der Sammelplätze, deren Höhenlage über dem Meere in Metern beigefügt ist, sind in Rücksicht auf Druckkosten und der oftmaligen Wiederholung im Verlaufe der Arbeit wie folgt abgekürzt worden: A: Alsar Djamboe (Atjeh) Ma: Marihat 450 B: Brastagi (Toba-Hochland) 1300 P: Piasaoeloe B B: Bandar Baroe 850 Pat: Patoembah 50 Ba: Balimbingan 370 P B: Pakan Baroe 100 B G: Balei Gadjah 10 P M: Pagar Marbau 24 B L: Bah Lias 32 S: Sibolangit 550 BN: Bandar Negri 100 Sa: Sabang Bo B: Boschreserve Bandar 90 Si: Siantar (= Pematang Siantar) 400 B S: Bah Soemboel S G: Sarang Giting 70 G M: Goenoeng Melajoe S M: Soengi Merah 16 H: Haboko 300 S Ms: Soengi Moesan 110
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 5
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.11 (1928) nr.1 p.1
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: INTRODUCTION. Dans la collection des Orthoptères du Musée de Leiden, se trouve encore la collection rapportée par les membres de l'expédition envoyée par la „Natuurkundige Commissie voor Nederlandsch Indië", qui finissait malheureusement par la mort si précoce de plusieurs de leurs membres. Nous pouvons dire d'être heureux en considérant cette collection parce que la plus grande partie est assez bien conservée et que les descriptions et les figures que DE HAAN nous donne sont tres bien exécutées, surtout pour ce temps là. Grâce à cette exactitude les Orthoptérologistes ont pu identifier avec assez de certitude les espèces décrites et les ranger dans le nouveau système. Cependant on n'a pas toujours réussi dans tous les cas comme l'article suivant vous montrera. C'est mon intention de reviser les Acridiodea et de donner un résumé de ce qui s'y trouve encore. 1) Acridium (Truxalis) psittacinum de Haan 1842. Bijdragen p. 146, pl. 23, fig. 1. 1) Dans la collection se trouve 1 ♂ de Java que je prends pour le type. 2) L'espèce appartient au genre Atractomorpha et correspond tout à fait avec le psittacina de Haan, du tableau de Bolivar (3 p. 199) En voici les dimensions: Longueur du corps 23 mm. „ de l'antenne 6 „. „ de l'élytre 20 „. „ du fémur poster. 10 „.
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 6
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.12 (1929) nr.6 p.28
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Fam. 8: LASIOCAMPIDAE. Lasiocampidae, Hampson, Faun. Br. Ind. I, p. 402, (1892). Grünberg, Seitz, Grossschm. d. Erde X, p. 391, (1914). Meest groote, sterke, ruige vlinders met bruine vleugelteekening. Palpen dik behaard, groot, vooruitstekend; zuiger niet ontwikkeld; oogen vrij klein; antennen tamelijk lang dubbel gekamd bij beide sexen. De pooten gewoonlijk met slechts kleine terminale paren sporen en sterk behaard. Het voorhoofd en de thorax in den regel sterk behaard. Het aderstelsel sterk, vrij constant; in den voorvleugel zijn de aderen 1a en 1b niet met elkaar gevorkt, 1c zeer zelden aanwezig; de cel klein met sterke discocellularis; de aderen 6 en 7 vanaf den bovenhoek, 9 en 10 steeds gesteeld. De achtervleugel met 2 anale aderen; 6 en 7 dicht bij de basis ontspringend; 8 gekromd en dikwijls 7 rakend of daarmede door een klein dwarsadertje verbonden, waardoor een praecostale cel ontstaat; accessorische adertjes doorgaans ontwikkeld. Frenulum afwezig. De rupsen zijn sterk behaard, met eigenaardige laterale haren aan de eerste segmenten en vaak ook met dorsale haarbosjes op de voorste segmenten. De haren beschermen door hunne mechanische en chemische werking de rups zoowel als de pop, want de haren worden in het spinsel ingeweven. De ♀♀ vliegen zeer weinig en houden zich meest verborgen, terwijl de ♂♂ zeer bewegelijk kunnen zijn. Sterk sexueel dimorphisme komt ook bij deze familie voor, evenals sterk verschil in grootte bij exemplaren van dezelfde soort. Enkele soorten vliegen ook wel overdag. Determinatietabel voor enkele genera:
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 7
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.10 (1927) nr.8 p.90
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Gen. Thumata Walk. Thumata, Walk., List. Lep. Ins. Br. Mus. XXXV, p. 1900, (1866). Hamps., Cat. Lep. Phal. II, p. 420, (1900). Seitz, Grossschm. d. Erde X, p. 159, (1914). Type: Th. fuscescens Walk. Geogr. verspr.: W. Afrika, Madagascar, Br. Indië, Assam, Ceylon, Borneo, Java, Australië. Zuiger gereduceerd, klein; palpen vooruitstekend, doch niet over het voorhoofd reikend; dat met haar begroeid is; antennen van het ♂ kort dubbel gekamd en wat verdikt aan de toppen; tibiën middelmatig gespoord; abdomen wollig. Voorvleugel kort en breed; ader 2 vanaf het midden der cel; 3 vanaf voor den celhoek; 4 en 5 vanaf dien hoek; 6 vanaf onder den bovenhoek; 7, 8 en 9 gesteeld; 10 vrij; 11 met 12 samensmeltend. Achtervleugelader 2 vanaf over het midden der cel; 3 en 4 gesteeld; 5 vanaf ongeveer het midden der discocellularis; 6 en 7 lang gesteeld; 8 vanaf bij het celeinde. Thumata fuscescens Walk. Thumata fuscescens, Walk., List. Lep. Ins. Br. Mus. XXXV, p. 1901, (1866). Hamps., Ill. Typ. Sp. Br. Mus. IX, p. 86; pl. 158, f. 18, (1893). Cat. Lep. Phal. II, p. 421, f. 332, (1900). Seitz, Grossschm. d. Erde X, p. 159; pl. 17c, (1914). Deze soort werd tot nog toe niet op Sumatra gevonden, doch zal daar ongetwijfeld wel voorkomen. Grijs-bruin; kop, thorax, voorvleugelbasis en eenige vlekken langs de costa donker bruin; sporen van een gezaagde, buitenwaarts gebogen mediale; een duidelijke vlek op de discocellularis;
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 8
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.9 (1926) nr.4 p.50
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Eine neuere Sammlung von javanischen Copeognathen, die mir Herr Edward Jacobson in Port de Kock als Ausbeute einer Reihe eifriger Sammeljahre in freundlicher Weise zur Verfügung stellt, ermöglichen einen weiteren Einblick in diese Gruppe orientalischer Minutien. Fam. PSOCIDAE. Subfam. PSOCINAE. Psocus Latr. 1794. Psocus flavistigma Kolbe 1885. Wonosobo, April, Mai 1909. ♂ ♀ u. Larven. Psocus taprobanes Hag. 1858 var. cosmopterus McLachl. 1866. Batavia, Juni 1 ♂. Nongkodjadjar, Jan. 1 ♂. Trichadenotecnum Enderl. 1909. Trichadenoteenum minutum nov. spec. ♂. Kopf matt gelblich, Stemmaticum schwarz, Scheitel so breit wie der Augendurchmesser, mit sehr kleinen braunen Punkten. Augen kugelig, schwarz. Geissel sehr lang, sehr dünn, hellbraun, Pubescenz ziemlich dicht, schräg abstehend und ca. 11/2 so lang wie der Geisseldurchmesser. Thorax matt gelblich. Abdomen matt gelblich mit schwarzer Sprenkelung, besonders an der Spitze. Beine schlank, einfarbig blass gelblich. Flügel hyalin, Vorderflügel mit brauner Fleck- und Punktspritzer-Zeichnung. Aussenrandsaum ähnlich wie bei T. circulare (Hag. 1859), nur sind die einzelnen braunen Punkte in jeder Zelle in mehrere Punkte aufgelöst. Pterostigma im distalen Drittel braun, sonst hyalin, Stigmaschloss schwarz. Nodulus schwarzbraun. Durch das 3. Viertel der Zelle An und Ax geht eine Querbinde schrag nach vorn bis zum
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 9
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.8 (1925) nr.13 p.153
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: A. Meer dan 6 achtervleugeladeren vanaf de cel. a. Maxillairpalpen en sporen aan de tibiën ontbreken . Hepialidae. b. „ „ „ „ „ „ wèl ontwikkeld. a1. Bijtende monddeelen (mandibels) niet ontwikkeld . Eriocraniidae. b1. „ „ „ aanwezig. . . . Micropterygidae. B. Niet meer dan 6 achtervleugeladeren vanaf de cel. a. Achtervleugel met twee anaaladeren (zonder lc.). a1. Voorvleugelader 5 dichter bij 4 ontspringend dan bij 6. a2. Achtervleugelader 8 ontbreekt Syntomidae. 62. Achtervleugelader 8 aanwezig (behalve bij eenige Arctiidae). a3. Achtervleugelader 8 gescheiden van 7. a4. Met frenulum. a5. Achtervleugelader 8 samensmeltend met de cel tot ongeveer even voor het midden . . . . Arctiidae. 65. Achtervleugelader 8 alleen aan de basis met de eel samensmeltend. a6. Antennen met min of meer verbreede schaft Agaristidae. 66. „ zonder verbreede schaft (uitgezonderd bij Dahlia) . . . . . . . . . . . Noctuidae. c5. Achtervleugelader 8 vrij of met de cel door een tak verbonden. a6. Zonder zuiger. a7. Geknopte antennen . . . . . . . . . Neocastniidae. b7. Antennen niet geknopt . . . . . . . . Lymantriidae.
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 10
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.12 (1929) nr.4 p.19
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Op een tweetal excursies (van 11—13 Juli en van 26—28 September) werden op Urk negen soorten van Apterygogenea gevonden, n. 1.: Hypogastrura viatica (Tullb.). Friesea mirabilis (Tullb.). Onychiurus armatus (Tullb.). Proisotoma schötti (D. T.). Isotoma (Vertagopus) cinerea (Nic.). Isotoma viridis Bourl. Isotoma viridis Bourl. var. riparia (Nic.). Isotomurus palustris (Müll.) var. maculata Schäff. Entomobrya lanuginosa (Nic.). Entomobrya lanuginosa (Nic.) var. maritima (Nic.). Entomobrya nicoleti (Lubb.) var. obscura (Tullb.). Vijf hiervan zijn, daar ze niet voorkomen in de lijst van Dr. OUDEMANS, als nieuw voor onze fauna te beschouwen. Van deze vijf volgt hieronder een korte beschrijving. 1. Friesea mirabilis (Tullb.). De drie thoracale segmenten zijn alle duidelijk zichtbaar en behaard. De beharing is kort, aan het eind van het abdomen iets langer; terwijl noch op thorax of abdomen, noch op de pooten borstelharen met een knopje voorkomen. De antennen zijn korter dan de kop, het vierde lid is kegelvormig en voorzien van 4—5 lange, sterk gekromde ästhetasken; de eindkolf is duidelijk en retractiel. Aan de buitenzijde van het derde lid komt een orgaan voor, dat bestaat uit twee korte zintuigstaafjes, die in een holte ingeplant zijn en door een tweetal haren beschermd worden.
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 11
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.9 (1926) nr.1 p.1
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Hoplionota rufopicea nov. spec. Subquadrata, parum convexa, supra nitida rufopicea, subtus subopaca testaceo-rufa, antennae testaceae; prothorax brevis, latitudine triplo brevior, basi subtruncata, lateribus valde obliquis, parum rotundatis, disco laevi, transversim biimpresso ibique punctato, lateribus profunde minus crebre punctatis; elytra humeris angulatis, lateribus haud rotundatis, disco crebre et profunde punctato, punctis intus subseriatis, non carinato, tuberculis utrinque sex parvis vel minimis; protectum deplanatum, profundius punctatum. 5 1/2 X 4 1/2 mm. Coll. Spaeth: Madagascar, Tamatave. In der Färbung der Oberseite an H. vilis m. erinnernd, aber ohne helleren Rand, wesentlich grösser und besonders breiter, mit viel längeren und schlankeren Fühlern, besonders längeren Endgliedern derselben, kürzerem und breiterem Halsschild, ganz anderer Skulptur der Flügeldecken. Eiförmig-rechteckig, um mehr als die Hälfte länger als breit, sehr wenig gewölbt, oberseits glänzend, dunkel pechrot, unterseits und die Fühler gelbrot; die letzteren lang, weit über die Halsschildecken hinausreichend, ihr 2. Glied schon um die Hälfte länger als breit, während es bei vilis kugelig ist; von der gleichen Länge ist das 3., während die folgenden zwei noch viel länger, etwa dreimal so lang als dick sind; die Endglieder sind ebenfalls länger als bei vilis, dabei schlanker, um die Hälfte länger als dick. Kopfplatte vor die Augen nicht vorgezogen, mit gerundetem, schmal eingeschnittenem Vorderrand. Kopfschild mit lanzettförmigem, schmal gekieltem Mittelfeld. Halsschild gut dreimal so breit als lang, mit von den Basalzähnen zu den Hinterecken sehr wenig vorgezogener Basis, so dass diese knapp vor der Basallinie (bei vilis viel
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 12
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.12 (1929) nr.7 p.137
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: De rups van den „Kanarievlinder" (Hileud hoeis) is donker bruin met lichtere zijstrepen, de eerste lichaamsring en de naschuivers rood, voorts eene serie van dorsale bulten met witte haren begroeid. Pooten bruin. De lengte bedraagt ongeveer 45—50 mM. Behalve aan kanarie kunnen de rupsen zeer schadelijk zijn aan advocaat, mangga, kaneel en kina (DAMMERMAN). Zij spinnen fraaie goudkleurige, mazige cocons, waarin de pop zichtbaar ligt. De rups van C. andrei Jord. is geheel anders; dorsaal appelgroen, ventraal iets donkerder met laterale geelgroene lengtelijn onder de stigmata, groenachtig bruinen kop, kleine roseroode dorsale wratjes, waarop donkere haren. Op den laatsten ring staat dorsaal een vleezig uitsteeksel met een geel wratje. De geheele oppervlakte met witte puntjes; de achterste, anale ring bruin. De rupsen laten zich in koudere streken gemakkelijk opkweeken met bladeren van kersen, appelen enz. Gen. 2: Loepa Moore. Loepa, Moore, Cat. Lep. Mus. E. I. C. II, p. 399, (1859). Hamps., Faun. Br. Ind. Moths I, p. 25, (1892). Seitz, Grossschm. d. Erde X, p. 505, (1926). Type: L. katinka Westw. Geogr. verspr.: Centraal- en West-China, Voor- en Achter-Indië, Sumatra, Java en Celebes. In tegenstelling met het voorgaande genus, zijn de voorvleugels niet sterk sikkelvormig, doch wel lang uitgetrokken en vrij smal met afgeronde apex. De buitenrand is bij het ♂ binnenwaarts gebogen; daarentegen bij het ♀ niet of zelfs meer buitenwaarts. Achtervleugels bijzonder afgerond
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 13
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.11 (1928) nr.5 p.49
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: 2. Pericallia dehanna (Pag.) (pl. VII, f. 1). Arctia dehanna, Pag., Jahrb. Nass. Ver. f. Naturk. 38, p. 14; pl. I, f. 10, (1885). Opmerkelijk, dat zoowel door HAMPSON als door ROTHSCHILD deze soort, oorspronkelijk van Nias beschreven, over het hoofd is gezien. Zij is verwant aan P. ricini F. ♂ Antennen vrij lang gekamd. Achtervleugeladeren 6 en 7 gesteeld. Palpen oranje, zwart aan de toppen; kop, tegulae, patagia, thorax en abdomen oranje tot oranje-rood; twee zwarte vlekjes op de tegulae; een zwart vlekje op den metathorax; dorsale, laterale en ventrolaterale seriën zwarte vlekjes op het abdomen, dat ventraal ook eenige zwarte vlekjes vertoont; antennen grijs-bruin, de schaft lichter; op de oranje coxae der voorpooten twee zwart-bruine vlekjes; de pooten geel tot geel-wit met grijs-bruine strepen. Voorvleugel roodachtig-bruin, de aderen lichter, alles mat van kleur; een gele tot oranje-gele vlek vanaf de costa tot over de discocellularis; een tweede gele vlek vanaf den binnenrand tot ongeveer het midden van ader 2; een derde oranje vlek aan de vleugelbasis onder ader 1; een zwart stipje op de vleugelbasis. Achtervleugel mat en licht roodachtig geel-bruin met geel midden-, oranje anaal en basaal gedeelte, waarin eenige bruin-grijze vlekken tusschen ader 1 en 2, 2 en 3, in de cel en daar boven. Op deze wijze heeft de achtervleugel feitelijk slechts een grijs-bruinen buitenrand. De costa is boven het midden van ader 8 vrij sterk gebogen. De onderzijde lichter. Vleugelspanning: 57—60 mM. Geogr. verspr.; Nias, Simaloer, Sumatra (1 ♂ Deli, Sch. v. L. leg., coll. Snell.) en Java.
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 14
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.10 (1927) nr.7 p.87
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Bei der Durchsicht mehrerer holländischen Andrena-Sammlungen fand ich eine Art, welche, soviel ich weiss, bisher noch nicht beschrieben worden ist. Sie gehört zu der schwierigen Gruppe der A. ovatula K. (afzeliella K.), und ist der A. wilkella K. (xanthura K.) am nächsten verwandt. Nach Herrn R. C. L. Perkins, dem ich einige Stücke dieser neuen Art zusand, fehlt sie in England; auf dem Festlande ist sie sicher weiter verbreitet, aber da die Unterscheidung von den Verwandten, besonders bei abgeflogenen Stücken, sehr schwierig ist, hat man sie wohl in der Regel mit A. wilkella K. oder ovatula K. verwechselt. Die folgende Beschreibung habe ich aufgestellt nach 5 ♀♀ und 12 ♂♂: Andrena gelriae n. sp. ♀. Schwarz. Kopf ungefähr wie bei wilkella gebildet, nur der Kopfschild etwas mehr vorgezogen und der Scheitel etwas flächer. Oberkiefer am Ende gebräunt. Anhang der Oberlippe trapezförmig, glänzend, vorne in der Mitte etwas eingedrückt. Kopfschild dicht und fein körnig gerunzelt, und ausserdem dicht und ziemlich grob punktiert, die Mittellinie nur gerunzelt oder ausserdem mit wenigen Punkten versehen, matt. Stirn und Scheitel dicht runzelig punktiert, matt. Augenstreifen von vorne samtbraun, von oben braungelb schimmernd. Fühler schwarz, die letzten Glieder unten schwarzbraun. Zweites Geisselglied so lang wie die zwei folgenden Glieder zusammen; das dritte und vierte Glied sind wenig breiter als lang, die folgenden ungefähr quadratisch, das Endglied ist länger als breit. Mesonotum und Schildchen fein gerunzelt und dicht und tief einge-
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 15
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.9 (1926) nr.3 p.28
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Gen. 5: Euchromia Hübn. Euchromia, Hübn., Verz. p. 121, (1827). Hamps., Cat. Lep. Phal. I, p. 293, (1898). Seitz, Grosssehm. d. Erde X, p. 85, (1911). Type: E. sperchia Cram. Geogr. verspr.: Afrika, en het Indo-Australisch gebied. Zuiger goed ontwikkeld; palpen slank, kort, naar boven gebogen; antennen kort gekamd en in het midden iets verdikt; pooten met korte sporen. Voorvleugeladeren 3, 4 en 5 vanaf het celeinde en 3 iets meer verwijderd; 6 vanaf het boveneinde der cel; 7, 8, 9 en 10 gesteeld; 11 vanaf de cel. Achtervleugeladeren 2 en 4, mede 6 en 7 dicht bij elkaar ontspringend, kort, soms kort gesteeld. Deze vlinders hebben fraaie roode, gele en metallisch blauwe kleuren. Zij vliegen overdag in den zonneschijn. 1. Euchromia polymena (L.). Sphinx polymeria, Linn., Syst. Nat. I, p. 494, (1858). Cram., Pap. Exot. I, pl. 13 D, (1775). Euchromia polymena, Moore, Lep. Ceyl. II, p. 39; pl. 94, f. 6, (1882). Hamps., Cat. Lep. Phal. I, p. 297, f. 137, (1898). Seitz, Grosssehm. d. Erde X, p. 85; pl. 12 d, (1911). Frons met een wit vlekje; twee witte vlekjes op de patagia op de bases der voorvleugels; eenige witte vlekken lateraal op de thorax. Tegulae rood; abdominaal segmenten 1, 4 en 5 met bloedrooden ring; 2, 3, 6 en 7 met metallisch blauw. De vleugels donker bruin met oranje tot roode, eenigszins doorzichtige vlekken. Een aan de basis onder de cel, een tweede tusschen ader 1 en de cel, een derde in de cel en eene serie van 4 transcellulaire vlekken, die slechts door de donkere
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 16
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.11 (1928) nr.2 p.28
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: 1. Diploneura (Dohrniphora) anterodorsalis n. sp. Weibchen. — Stirn etwas breiter als an den Seiten lang, vorn mitten stark vorgezogen, daher fünfeckig, glänzend gelbrot mit schwarzem Ocellenfleck; auch die Backen und Wangen gelb. Antialen weiter von einander entfernt als von der ersten Lateralen; in der zweiten Reihe ist es umgekehrt. Drittes Fühlerglied klein, gelb, mit deutlichem Apex. Arista sehr deutlich und locker pubeszent. Taster gelb, oben schwach ausgehöhlt, mit den gewöhnlichen Borsten. Clypeus knopfartig vorstehend. Rüssel gekniet, verlängert und schmal, hornig; der Endabschnitt ist etwa so lang wie der Kopf hoch ist — Thorax schwarzbraun, nach vorn und besonders zu den Schultern hin gelbbraun. Pleuren gelbbraun, Mesopleuren im obern Teile behaart. Schildchen mit zwei Borsten und vier Haaren, es steht nämlich im Gegensatz zu den meisten andern Arten (ausser rhinotermitis, nitida und paolii) auch zwischen den Borsten jederseits ein Haar — Abdomen mit gelbem Bauch, sonst mattschwarz, die Tergitplatten jedoch zweifarbig: erstes Tergit vorn grauschwarz, mit bleichem Hinterrand; das verlängerte zweite Tergit am Vorderrand breit, am Hinterrand schmal gelb gesäumt, Mittellinie gelb, der Rest schwarz; drittes Tergit schwarz, mit gelber, nach vorn dreieckig erweiterter Mittellinie, sein Hinterrand schmal gelb gesäumt; viertes Tergit (ein subquadratisches Plättchen) schwärzlich mit gelber, nach hinten erweiterter Mittellinie. siebentes Segment an beiden Seiten mit chitinöser schwarzer Platte. — Beine gelb, nur Spitze und Dorsalkante der verbreiterten Hinterschenkel schwarz. Vordertibie mit vier kräftigen Börstchen, einer auf der obern, drei auf der untern Hälfte: Vordertarsen länger als die
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 17
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.9 (1926) nr.10 p.215
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Limnebius (s. str.) immersus Knisch nov. spec. Oval, nach rückwärts stark verschmälert, pechschwarz, die Seiten des Halsschildes und die Spitzen der Flügeldecken durchscheinend braungelb, die Unterseite dunkel, sämmtliche Extremitäten braungelb; das Endglied der Kiefertaster meist etwas angedunkelt; die ganze Oberseite glänzend. Der Kopf auf glänzend glattem Grunde nur mikroskopisch erkennbar, sehr subtil und weitläufig punktiert; den Punkten entspringen lange, äusserst feine, niederliegende, weissliche Härchen. Eine Netzung des Grundes oder eine deutlich hervortretende Gruppe grösserer Punkte fehlt. Die Oberlippe mit spärlicher Anzahl mikroskopisch feiner, setigerer Punkte. Der Halsschild an der Basis mindestens doppelt so breit als in der Mitte lang, nach vorne stark, aber in flachem Bogen verschmälert, die Punktierung desselben auf der Scheibe äusserst spärlich und noch feiner als auf dem Kopfe; innerhalb der Vorderecken treten jedoch auf äusserst subtil genetztem Grunde grössere Punkte in bescheidener Anzahl hervor; meist auch in der Mitte des Vorderrandes und an der Basis vor dem Schildchen einzelne grössere Punkte. Die Punkte des Halsschildes tragen bei den mir vorliegenden Stücken keine Börstchen. Das Schildchen wesentlich breiter als lang, glänzend glatt, skulpturlos. Die Flügeldecken an der Basis am breitesten, nach rückwärts stark und fast gradlinig verschmälert, an der Spitze ziemlich breit abgestutzt. Die Skulptur derselben ist eine sehr feine, nur mikroskopisch erkennbare Netzung ohne setigere Punktierung. Das Kinn nur mikroskopisch erkennbar, sehr fein und spärlich punktiert. Die Kiefertaster verhältnismässig kräftig. Das Prosternum mit
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 18
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.10 (1927) nr.1 p.1
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: Die folgende Bearbeitung sumatranischer Libellen schliesst sich an zwei frühere Aufsätze über Libellen von Java und von Simalur an, die mir Herr Jacobson anvertraute. Die hier beschriebene wesentlich grössere Sammlung aus den Jahren 1913—15 kam gegen Ende 1920 in meine Hände, sie hätte also längst erledigt sein sollen, und ich bin Hrn. Jacobson und dem Direktor des Museums in Leiden zu Dank verpflichtet für die Geduld gegenüber der langen Verzögerung, die sich aus persönlichen Gründen ergab 1). Die Sammlung stammt zum weitaus grössten Teil aus den Padangschen Bovenlanden (P. B.), einem Teil von Sumatra, über dessen Odonaten noch sehr wenig berichtet ist. Die genauen Ortsangaben geben zwar dem Verfasser, der das schöne Land nicht kennt, und wohl auch der Mehrzahl seiner Leser, keine Vorstellung vom Charakter der einzelnen Fundorte; genaue Orte und Daten, überall so wiedergegeben wie sie der landeskundige Sammler selbst den Objekten beigefügt hat, werden aber als Dokumente für Gegenwart und Zukunft trotzdem unentbehrlich gefunden werden. Neben zahlreichen, in vielen Schriften zerstreuten einzelnen Notizen über sumatranische Odonaten gibt es einige wenige Schriften, die sich mit solchen speziell befassen, von Albarda (10) und Karsch (18) solche kleinern Umfangs, eine vollständige Zusammenstellung des damals bekannten von E. de Selys-Longchamps (14) und endlich die grosse, monographisch entwickelte Arbeit von Krüger (22). Diesen dient der vorliegende Aufsatz zur Ergänzung und gewissermassen Modernisierung; um den heute kostbaren Raum zu sparen habe ich mich streng an das Material der bearbeiteten Sammlung gehalten und auf kompilatorische Arbeit
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
  • 19
    facet.materialart.
    Unknown
    In:  Zoologische Mededelingen (0024-0672) vol.9 (1926) nr.15 p.300
    Publication Date: 2013-03-01
    Description: In 1878—'81 verscheen een „Naamlijst der tot heden in Nederland waargenomen Bijensoorten" van C. Ritsema Cz. (Tijdschrift voor Entomologie, deel 22, p. 21—55 (1878—'79), met supplementen in deel 23, p. XXIV—XXX (1879—'80) en in deel 24, p. CXXIII—CXXIX (1880—'81). Sinds dien tijd zijn de bijen in ons land vrijwel verwaarloosd, en de Naamlijst van Ritsema is thans onvolledig en verouderd. Daar ik sinds eenigen tijd bezig ben met de bewerking van onze Andrena's, en daarvoor ook, dank zij de welwillendheid van Prof. Dr. E. D. van Oort, Directeur van 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden, de collectie van dit Museum kon inzien, was het mij mogelijk de Naamlijst van Ritsema voor dit geslacht aan te vullen en te herzien. Het materiaal, waarop deze gebaseerd is, bevindt zich namelijk grootendeels in de verzameling van bovengenoemd Museum. De volgende lijst is slechts een voorloopige opsomming der Nederlandsche soorten, binnenkort hoop ik deze in een uitvoeriger overzicht te kunnen behandelen. In deze lijst heb ik alle soorten opgenomen, die mij tot nu toe uit ons land bekend geworden zijn, dus ook die, waarvan de exemplaren zich in andere collecties dan die van het Museum in Leiden bevinden. De tusschen haakjes geplaatste namen zijn die, welke indertijd door Ritsema gebruikt zijn; wanneer bij een soort niets vermeld is, is zij onder denzelfden naam in de Naamlijst van Ritsema te vinden. Genus: Andrena F. albicans Müll, (haemorrhoa F.). carbonaria L. (pilipes F.). bimaculata K.
    Keywords: 42.75
    Repository Name: National Museum of Natural History, Netherlands
    Type: Article / Letter to the editor
    Format: application/pdf
    Location Call Number Expected Availability
    BibTip Others were also interested in ...
Close ⊗
This website uses cookies and the analysis tool Matomo. More information can be found here...